Ultra Trail des Fantomes: en toch onderschat…

Op 16 Augustus werd ik om 01:05 gewekt door mijn polsbandje. Robotmatig werkte ik een ‘ontbijt’ (yoghurt met havermout, chiazaad en cacaopoeder met coccossuiker) naar binnen, stopte eten voor onderweg in een koeltas en kroop achter het stuur voor een rit van een goeie 2 uur naar La Roche en Ardenne. Ik draaide de volumeknop van de radio open en was blij verrast met de heruitzending van All Areas (Pukkelpop) met de set van Macklemore. Ongelofelijk hoe je hiervan op zo’n ‘stil’ moment kan genieten.
Voorbij Namen begint Studio Brussel te kraken en draai ik het volume toe in de hoop nog even een rustmoment in te lassen. De adrenaline laat zich echter al voelen, en omrijden voor een gesloten afrit helpt ook niet bepaald. Tegen 4u sta ik dan ook te popelen om te vertrekken, niet goed wetende wat er staat te wachten.

Op papier telt de Ultra Trail des Fantomes een 4300 hoogtemeters over 100km, maar toen ik de GPS track inspecteerde kwam ik nog niet aan 3000m, dat zou dus wel best meevallen. Wat deelnemers betrof was Steven Pauwels als grote favoriet getipt, een categorie hoger dan ikzelf, maar voor de rest had ik er het raden naar hoe sterk de rest van het deelnemersveld was.
Niet geheel verwonderlijk liep ik bij de start in de kopgroep. Wat me wel tegenviel was dat die kopgroep uit slechts 3 man bestond; Steven, Fons De Bie en ikzelf. Na de eerste paar km goed samen rondgedraaid te hebben, bleek dat Fons op een onbewaakt moment van de kop te zijn gevallen.
Rond 5 km beleef ik het eerste hoogtepunt van de dag, ik krijg een vuursalamander prachtig in het vizier van mijn hoofdlamp, magnifiek. We lopen nog een paar km op goed beloopbare brede boswegen. Ik knip even mijn lamp uit. Pikdonker, enkel het licht van Stevens lamp 5 à 10 meter voor me, blind vertrouwend op mijn voeten die de ondergrond lezen.
De mist gaat over in motregen, en bij de overgang van naar beneden hellend stuk asfalt naar een aardeweg voel ik voor het eerst mijn schoen onder mij wegglijden en moet ik snel controleren om niet onderuit te gaan.
Op het pad langs de Ourthe, bezaaid met rotsen en boomwortels is het dan ook opperste concentratie om, zonder glijden, zo efficiënt mogelijk te lopen. Terwijl ik -wat onzeker over de juiste weg- loop te stuntelen, vraagt Steven of hij voor mag. Voor ik er erg in heb loopt hij 20m voor me, maar onder deze omstandigheden is er geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt om hem proberen bij te houden.

Trail des Fantomes 2014 from Motomediateam.be on Vimeo.

Na 10 km loop ik op eigen tempo over de rotsen te hobbelen. Terwijl het pad naar beneden kronkelt zie ik in de verte een sliert lichtjes van de lopers achter me. Het is nog behoorlijk donker als ik de eerste keer het water over moet. Voorzichtig, want de Ourthe is hier breed en het water blijk behoorlijk hoog te komen.
Bij de 1ste bevoorrading (19km) blijk ik 7 min achter Steven te liggen, dat lijkt me nog mee te vallen. Terwijl ik aan de post vertrek zijn de eerste achtervolgers daar ook aangekomen.
Het wordt stilaan licht, maar ik houd nog even mijn lamp bij me. Tijdens een schuiver op een brugje kan ik maar net op tijd controleren, hier had mijn race erop kunnen zitten bedenk ik. In totaal maak ik nog één serieuze schuiver, één val met zachte landing en één waarbij ik mijn arm behoorlijk schaaf. Niet vallen tijdens deze wedstrijd was volgens mij al een prestatie op zich.
In het vroege ochtendlicht steek ik de stuwdam van Nisramont over. Aan de overkant klimt de route omhoog en zorgen de eerste zonnestralen voor een schitterend zicht op het meer.
Opgelucht dat het lopen in het donker erop zit lijkt het wat beter op te schieten, al heb ik het gevoel dat ik nauwelijks voor lig op het groepje achter me. Als ik na een splitsing twijfelend terugloop omdat ik niet direct een routemarkering zie, loopt Fons me tegemoet. Als er iemand energie hervonden heeft is hij het duidelijk (bij vorige verzorgingspost zat hij naar eigen zeggen meer dan 5 minuten achter me), en dat motiveert om goed mee te draaien. Niettemin was onze verbazing groot toen we bij de post op 33 km hoorden dat Steven niet verder uitgelopen was. We wouden het tempo er dan ook in houden, maar allicht was Steven ook ter ore gekomen dat we hem op de hielen zaten, want zijn voorsprong was op 45 km weer vergroot.
Intussen was het voor mij genoeg geweest wat jagen betreft, maar Fons vond dat we het Steven niet al te makkelijk mochten maken. Ik liet hem begaan, en bleef op gevoel verder lopen. Hij nam gestaag een paar meter voorsprong, maar het duurde toch behoorlijk lang voor hij echt uit het vizier was.
Rond 65 km halen Wim Bastiaens en Vincent me bij tijdens een wateroversteek. Aan de overzijde is het klimmen, m.a.w. stappen, geblazen. Maar oh boy, kunnen zij even doorstappen… en ik geraak maar niet vooruit. Ik sta er echt van te kijken, had dit dipje niet zien aankomen. Ik besluit rustig wat te eten in de hoop terug wat kracht in de benen te krijgen.
Met wat extra suikers en een behoorlijke portie doorzettingsvermogen kom ik weer op dreef.
Ik kom Fons weer tegen ter hoogte van een brug waar de route voor de 50 en 100 km zich splitst. Door een scheefgezakte pijl lijkt het of we de brug over moeten. Wim en Vincent waren blijkbaar langs daar gelopen, en Fons lijkt er ook redelijk zeker van dat dit klopt. Ik vertrek, maar na een paar minuten besef ik dat dit niet kan kloppen, en op een extra lus van 50 km zat ik niet te wachten. Terug dus. Op de brug merk ik al gauw dat er een trap aan de andere kant zat die ik niet gezien had. Zo loop ik tegen km 75 weer als 2e. Ik vind het wel spijtig dat ik Wim en Vincent op deze manier moest inhalen, want ik was net terug goed aan het ronddraaien. Lang moet ik daar echter niet mee inzitten, want rond km 80 ga ik zelf volledig de mist in. Als ik na een mooie klim bij een splitsing op een open veld uitkom en daar geen pijlen zie, vermoed ik dat ik op het verkeerde pad zit. Ik keer een eind terug zonder pijlen te zien, maar erger is dat ik me helemaal niet lijk te herinneren van waar ik precies kwam. Ik loop nog een paar rondjes, speurend naar mogelijke zijwegjes, maar mijn oriëntatie verbeterd er niet op. Ten einde raad probeer ik wijzer te worden hoe ik mijn gps-horloge kan gebruiken om te navigeren. Na veel vijven en zessen slaag ik er in om in te zoomen op de route en valt mijn frank dat ik een heel eind terugmoet. Als ik de pijlen die me dwars door de begroeiing sturen zie snap ik niet hoe ik dit heb kunnen missen. Echt lachen kan ik hier niet mee, want ik was er zeker een minuut of 10 mee zoet. Niet veel later passeer ik 2 lopers die wel op de route gebleven waren en maak ik op dat er nog 1 iemand is tussengeschoven tijdens mijn omweg. Tussen de post op 83 en 95 schiet ik vrij goed op. In de achtergrond ving ik even een glimp op van Wim, maar op dit stuk kan ik eindelijk wat vaart zetten in de afdalingen. Hoewel ik nummer 2 op 83 km kort op de hielen zat, vernam ik tot mijn verbazing dat ik 2e binnenkom bij de laatste post, terwijl ik niemand voor me heb gezien. Nog nooit zo’n vreemd wedstrijdverloop gekend…
De muur van Maubeuge bijt nog eens goed in de benen, maar ik zet goed door, wetende dat Wim hier mogelijk voordeel uit zijn wandelstokken haalt. Eens boven voel ik dat het niet meer mis kan gaan, ik haal nog een behoorlijke snelheid op het vlakke stuk en eindelijk krijg ik eens een goed beloopbare afdaling voorgeschoteld waar ik me gretig naar beneden laat rollen. In de laatste 500m krijg ik nog af te rekenen met krampen, maar vreemd genoeg loop ik er gewoon door. Nog even het water over en dan naar de finish. Eerst waad ik zeer rustig door het water, maar ik voel me aangemoedigd door de toeschouwers om aan ’aquajoggen’ te doen. Tot mijn verbazing ben ik er nog niet bij het uitkomen van het water, dan maar versnellen en afsluiten met een sprintje. Totaal overbodig, maar het doet toch ongelofelijk deugd om zo na (iets meer dan) 100 km te kunnen finishen.